60

p g g g koele, haast kwaadaardige blik toegeworpen. Verontrustend zouden kenners zeggen. Zijn woord gaf hij zelden, maar eenmaal gegeven hield hij het. Vanwaar dan zijn kwaal? In plaats van de stelling na elke zet geconcentreerd te bekijken, als een diamantair die een steen van alle kanten door zijn loep bestudeert, zette hij te snel. Gisteren werd het hem te veel. Hij had zich voorgenomen – hoe vaak al? honderden keren, minstens – écht goed na te denken voordat hij zijn zet zou doen. Er was genoeg tijd, de stelling leek gewonnen, en hij had een strategie. Toch gebeurde weer wat hij vreesde: de tegenstander had zijn loper verplaatst, de stelling was anders, maar halsstarrig hield hij vast aan zijn plan. ‘Andere stelling, plan aanpassen!’ Hij schreeuwde het uit in het toilet, met zijn gezicht dicht tegen de spiegel aan, nog net genoeg bij zinnen om zijn hoofd er niet tegenaan te beuken. Waarom dan toch zijn paard gezet? Omdat hij had gezien dat er een perfect veld voor was. Het stond vooruitgeschoven op d5, gedekt en onbedreigd en ontnam ‘ Toch gebeurde weer wat hij vreesde: de tegenstander had zijn loper verplaatst, de stelling was anders, maar halsstarrig hield hij vast aan zijn plan’ 60 HWP Haarlem Jaarboek 2025/2026 j j p het bord, gretig als een afgerichte hond die wachtte op zijn commando. Het hielp niet. De hand kroop terug, tot hij het niet eens meer doorhad dat zijn hand weer daar lag, waar de afstand naar het bord te klein was. Het moest dus anders. Rigoureuzer. Hij herinnerde zich nog handboeien te hebben liggen, vanuit een ver verleden, van voor zijn huwelijk. G. schaamde zich ervoor: waarom had hij ze nooit weggegooid? Nu kwamen ze goed van pas. Die avond speelde hij tegen S. Zijn kleinerende opmerkingen en dominante aanwezigheid vond hij onuitstaanbaar. Maar het werd door iedereen getolereerd: S. kon nu eenmaal goed schaken, hij niet. Toch geloofde hij wel een kans te hebben, maar dat vroeg om extreme beheersing. Hij bond zijn rechterhand vast aan de stoel: arm gestrekt naar beneden, één boei om zijn pols, de andere om de houten lat, net onder het zitvlak. In zijn linkerhand hield hij het sleuteltje. Ongemakkelijk, maar alles om niet weer de fout in te gaan. Voor zover hij wist was het niet verboden. S. keek verbaasd toen hij de boeien tevoorschijn haalde. ‘Wat had jij in gedachten?’ zei S., ineens wat onzeker. ‘Niets’, antwoordde G. kortaf, terwijl hij zijn rechterpols soepel – hij had er thuis op geoefend – vastbond. ‘Wat jij nu doet… niet verstandig, lijkt me.’ ‘Kan zijn.’ Hij schaamde zich, maar hij moest wel. ‘Ach, beter ga je er niet van spelen’, klonk het cynisch. Met die typische grijns. Het sleuteltje Ondanks zijn voorbereiding zat hij nerveus te rommelen tijdens het los- en vastmaken van de boeien. Dit ritueel herhaalde zich bijna elke minuut. Maar hij kreeg er handigheid in. j p g had nog slechts een minuut of twee. Dat moest lukken. S. zag het ook. Het zou mat worden. Hij zakte wat onderuit, voor zover dat ging, legde het sleuteltje naast het bord, en keek naar het vertwijfelde gezicht van S. G. genoot van wat hij zag. Ze keken elkaar even recht in de ogen. Hij meende te zien dat S. zou opgeven. G. wilde het sleuteltje pakken en de boeien openen, zodat hij S. sportief met zijn rechterhand de hand kon schudden. Maar S. gaf niet op. Hij griste het sleuteltje weg. In zijn zak. Even keek hij om zich heen. Toen boog hij zich weer over het bord, alsof er niets was gebeurd. Het drong niet meteen tot G. door. Maar zijn secondes tikten weg. Had S. nu net zijn sleuteltje gepakt? Had niemand dit gezien? Zijn hoofd begon te tollen. Hij had geen reservesleutel. Nooit aan gedacht. Hij moest met links gaan zetten en deed een slechte zet. Kon hij er iets van zeggen? Nergens stond dat het verboden was de sleutel van de handboeien van je tegenstander af te pakken. Nergens stond überhaupt iets over spelen met handboeien. Wat als S. de sleutel niet teruggaf? Hoe kwam hij dan thuis? Met een stoel geboeid aan zijn arm? Wat zou zijn vrouw zeggen? De tijd tikte. Hij moest weer zetten, maar alles was in de war geschopt. Zijn hele lichaam trilde. Hij zette zijn pion, Slot S. glimlachte. Een minachtend lachje dat hij altijd had wanneer hij won. G. zag het aan met bloeddoorlopen ogen. ‘Alsjeblieft, je sleutel. Kun je me tenminste fatsoenlijk feliciteren.’ G.’s blik verhardde. Hij voelde zijn beheersing wegstromen alsof de badstop er plotseling werd uitgerukt. Zijn plan was mislukt. Hij pakte zijn sleuteltje, opende razendsnel zijn boeien, en sprong met beide handen vooruitgestoken, de vingers gespannen gespreid, met alle pezen en aders op knappen, over het bord richting S. Deze keek tevreden naar het bord, maar toen hij zijn ogen opsloeg zag hij twee haast paarse monsters naar zijn keel grijpen. Het volgende moment hoorde hij zijn eigen strottenhoofd kraken. G. wilde het licht uit zijn ogen drukken en liet pas los toen het gespartel ophield en het gereutel verstomde. Niet veel later werd hij geboeid afgevoerd. Zijn handen hingen, bleek als voorheen, de vingers ontspannen. j p , g , weg, dat zag hij nog net. Maar waarheen? Hij pakte zijn paard en zette het half naast het veld. S. zag het en moest lachen. ‘Ons amateurtje is nerveus geworden?’ S. begon tergend langzaam na te denken en deed wederom een goede zet. Vertwijfeld keek G. naar de klok. Nog maar drie seconden. Het was voorbij. met dank aan Tim Mazajchik HWP Haarlem Jaarboek 2025/2026 61

61 Publizr Home


You need flash player to view this online publication