61

KORT VERHAAL ‘ Had S. nu net zijn sleuteltje gepakt? Had niemand dit gezien? Zijn hoofd begon te tollen’ De kwaal Een waarschijnlijk herkenbaar verhaal dat in zijn absurdisme dicht bij de werkelijkheid komt: het falen van de menselijke zelfbeheersing. Tekst Sicco Polders Het paard op d5 G. leed. Dat hij vaak verloor had hij geaccepteerd, maar de manier waarop bleef hem dwarszitten. Hoe hij ook peinsde en wakker lag in een poging om een oplossing te bedenken – niets hielp. Elke dag noteerde hij nauwgezet zijn taken en deed dat getrouw. Aan het einde van de dag was alles keurig afgevinkt. Sinds zijn pensioen was hij zijn eigen werkgever. Streng en nauwlettend hield hij zichzelf in de gaten. Elk plan wikte en woog hij, en verwierp alles resoluut wat te riskant was. Hij was star en onbuigzaam, en zij die probeerden hem op andere gedachten te brengen kregen een de velden van de tegenstander. Maar zijn tegenstander had dat ook gezien en het veld gedekt. En toch... toch deed hij het. Hij keek, maar niet naar de alternatieven. Als een rechercheur met tunnelvisie pakte hij zijn paard. Niet met zijn vingertoppen, maar hij greep het beet. Zodra hij losliet, wist hij het meteen. Fout. Alweer. Rigoureus G. begon te experimenteren. Wat nu, als hij de tijd tussen zijn idee en de werkelijke uitvoering van de daad vertraagde? Als hij zichzelf fysiek dwong om niet onmiddellijk te handelen? De eerstvolgende partij speelde hij met zijn rechterhand in zijn broekzak. Zijn hand niet meer op de tafel, vlak naast Het middenspel doorstond hij bekwaam – wonderbaarlijk, want daar stak zijn kwaal meestal de kop op. Zelfgenoegzaam speelde G. met zijn sleuteltje in zijn linkerhand, zeker van zijn zaak. Soms voelde hij zijn hand nog trekken; dan was hij content met zijn vinding. Toen het eindspel begon, stond hij aanmerkelijk beter: een pion meer, een goede positie voor zijn koning, en genoeg tijd. Als hij met beleid zou blijven bewegen, zou S. op een gegeven moment inzien dat verder spelen heilloos was. Gelukkig maar: zijn arm was stijf geworden en zijn rug deed pijn. De huid van zijn pols was geïrriteerd. Hij geen idee waarom. S. ging er eens rustig voor zitten en deed de enige juiste tegenzet. De matdreiging was in rook opgegaan. Hij had nog maar heel even. Hij stak zijn linkerhand bevend uit en zei met ingehouden woede: ‘Geef die sleutel terug.’ Maar hij werd genegeerd. Hij wist het niet meer. Zijn paard, dat zo goed stond, moest

62 Publizr Home


You need flash player to view this online publication